over de mythe van Baraks 'faire compromis'

hoe genereus is genereus?

Geoffrey Aronson

Aan de reeks oude mythen rondom de staat Israel dreigt een nieuwe toegevoegd te worden. Deze komt op het volgende neer: Israel zocht in het kader van 'het vredesproces' een 'fair compromis' met de Palestijnen; daartoe deed de regering van Ehoed Barak tijdens de topconferentie in Camp David en in latere overlegronden een ongekend genereus aanbod aan het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) van Yasser Arafat; de PNA weigerde evenwel op dit aanbod in te gaan, met als gevolg de ineenstorting van 'Oslo'; voor dit laatste dragen Arafat c.s. bijgevolg de volle verantwoordelijkheid (evenals voor de Aqsa-Intifada - zo zij in het uitbreken daarvan al niet zelf de hand hebben gehad - en voor de politieke val van Barak).

Een simpel en overzichtelijk beeld met de nodige dramatische elementen - de haven leek immers zo duidelijk in zicht; wat een tragiek!, wat een kortzichtigheid aan Palestijnse zijde! (in dit verband is door Israelische politici en journalisten veelvuldig de beledigende uitspraak van voormalig minister van Buitenlandse Zaken van Israel, Abba Eban, aangehaald: 'The Palestinians never miss an opportunity to miss an opportunity') Een beeld ook dat er door de (pro-)Israelische propaganda wordt ingehamerd - en met succes, zo moet men vrezen.

De crusiale vraag bij dit alles blijft natuurlijk wel: Hoe genereus was het aanbod van Barak eigenlijk? Daarover de volgende analyse van Geoffrey Aronson van de Foundation for Middle East Peace te Washington. [de redactie]

We maken belangrijke tijden mee in de geschiedenis van het conflict tussen Israel en de Palestijnen. De topconferentie in Camp David, afgelopen juli, en de strijd die nadien is uitgevochten, hebben een nieuw hoofdstuk ingeluid in de lange geschiedenis van de confrontatie tussen Israel en de Arabieren.

De precieze aard van de vooruitgang die door de onderhandelaars is geboekt, blijkt moeilijk vast te stellen - niet alleen voor het grote publiek, maar ook voor de onderhandelaars zelf. Israels minister van Buitenlandse Zaken, Shlomo Ben Ami, sprak van 'de collectieve herinnering van Camp David'. Echter, in de maanden die sinds de topconferentie zijn verstreken, is het overduidelijk geworden, dat er niet zozeer sprake is van een collectieve herinnering over wat er aangeboden werd, maar van een kluwe herinneringen die op sommige punten met elkaar in lijn zijn, maar op vele andere punten met elkaar in tegenspraak.

De dubbelzinnigheid - inherent aan de onderhandelingen die tijdens en na Camp David zijn gevoerd - heeft niet kunnen verhinderen dat er in Washington inmiddels een beeld bestaat van wat er precies is uitgelekt en wie de mislukking van het overleg 'verweten' kan worden. Pleitbezorgers van dit beeld beschouwen het aanbod dat door premier Ehoed Barak op tafel is gelegd 'genereus' en 'zonder precedent'. Yasser Arafats weigering het 'faire compromis' dat Barak in de aanbieding had te accepteren, vormt een bewijs van de tragische Palestijnse drang om 'nooit een gelegenheid voorbij te laten gaan om een gelegenheid voorbij te laten gaan', zoals hen dat ooit door Abba Eban is aangewreven.

De opmerking van Eban is om nog een andere reden instructief, aangezien deze destijds de kern vormde van een Israelische strategie om de Palestijnse kijk op de wereld en op hun uiterst moeilijke situatie te delegitimeren.

De algemene opvatting over Camp David en over het geweld dat erop is gevolgd - door Washington en Jeruzalem met de grootste volharding uitgedragen - dient eenzelfde doel, namelijk om de Palestijnen - in het bijzonder Arafat - de verantwoordelijkheid in de schoenen te schuiven voor niet accepteren van een fair deal, die het beste aanbod inhield dat Arafat ooit van een Israelische regeringsleider zal kunnen krijgen. Arafats onvermogen een compromis te sluiten heeft Israel begrijpelijk geen andere keuze gelaten dan het Oslo-proces te staken.

Anders dan al zijn voorgangers meende Barak dat hij de Palestijnen zover kon krijgen dat zij een final status-overeenkomst, die Israels lang gekoesterde territoriale, strategische- en nederzettingen doeleinden legitimeerde, zouden accepteren en dat zij alle Palestijnse claims jegens Israel zouden opgeven. Een Israelisch aanbod met deze intentie is [zie boven] gekwalificeerd als genereus en zonder precedent. Zou een aanbod in deze geest eerder zijn gedaan aan Israels andere Arabische buren - JordaniŽ, Egypte -, dan kan men er zeker van zijn, dat Israel langs een vijandige grens nog altijd oog in oog met hun legers zou staan.

Zorgvuldige bestudering van wat er in Camp David-II inzake kwesties als grondgebied en Jeruzalem is aangeboden, zou tot herziening van het eerdergenoemde eenzijdige en baatzuchtige beeld aanleiding moeten geven. Want Baraks 'aanbod' in Camp David hield - voor zover is na te gaan op basis van de onvolledige, niet vastgelegde discussies - het volgende in:

grondgebied

Volgens Israeli's en Palestijnen die aan de gesprekken hebben deelgenomen of als adviseurs fungeerden, deed Barak in Camp David twee weinig precieze territoriale aanbiedingen. In het eerste werd de annexatie van 10,5 procent van de Westelijke Jordaanoever voorgesteld en de veiligheidscontrole door Israel over nog eens 8,5 tot 12 procent (de zogeheten 'groene gebieden'), zonder de bepaling dat omgekeerd een soortgelijke - in termen van oppervlakte en kwaliteit - overdracht van Israelisch grondgebied zou plaatsvinden. Een variant op dit voorstel moet Israels annexatie van een smalle strook land langs een deel van de rivier de Jordaan hebben behelsd.

In een tweede aanbod moet de annexatie door Israel van 9 procent van de Westelijke Jordaanoever hebben ingehouden, in ruil voor 1 procent compensatie in Israelische grond - zonder een enkele verwijzing naar de kwaliteit daarvan - die door [de te vormen staat] Palestina zou worden geannexeerd.

De status van de joodse nederzettingen op het grondgebied van de [te vormen] staat Palestina - in aantal geschat op rond de 60 met 40.000 bewoners en toetssteen voor de mate van Palestijnse soevereiniteit - is niet aan de orde gesteld. Bepalingen omtrent de veiligheid van alle nederzettingen, inclusief die welke mogelijk nominaal onder Palestijnse soevereiniteit zouden komen, vormen - naar verwachting - een belangrijk element in Israels onderhandelingspositie. Verklaringen die onmiddellijk na de conferentie van de zijde van Israel zijn afgelegd suggereren dat - als onderdeel van een akkoord met de Palestijnen - er geen enkele nederzetting ooit ontruimd zal worden.

Jeruzalem

De parameters van Israels aanbod inzake Jeruzalem zijn onderwerp van veel discussie geweest. Volgens Israelische en Palestijnse berichten, als ook op basis van gesprekken met onderhandelaars en hun adviseurs, bood Israel de Palestijnen de soevereiniteit over enkele afgelegen Palestijnse voorsteden en bestuurlijke controle over weer andere wijken, nabij en in het centrum van de stad. In ruil daarvoor vroeg Israel Palestijnse erkenning van de Israelische soevereiniteit over tenminste eenderde van Oost-Jeruzalem, waar ongeveer 200.000 Israeli's [d.w.z. Israelische kolonisten; red.] wonen, alsook over de Haram al-Sharif/Tempelberg, waar Israel - het is bijna niet te geloven - de Palestijnen vroeg in te stemmen met de bouw van een synagoge. De precieze verdeling in termen van soevereiniteit en bestuur inzake Oost-Jeruzalem, inclusief de onteigening van zijn cruciale groene zones waar bebouwing thans niet is toegestaan, is niet aan de orde gesteld. Barak bood de Palestijnen tevens een 'veilige doorgang' naar de Haram al-Sharif/Tempelberg. Baraks plan inzake de Haram al-Sharif/Tempelberg - uitgezonderd het verzoek inzake de bouw van een synagoge - is in Israelische berichten beschreven als een formele bestendiging van de status quo op de Haram al-Sharif/Tempelberg [waarvan het bestuur ook na 1967 in handen heeft gelegen van Palestijnse islamitische functionarissen; red.].

De regering van de Amerikaanse president Bill Clinton heeft Baraks voorkeuren gesteund - een standpunt dat door veel Amerikanen kritiekloos is overgenomen. Die steun kwam het duidelijkst tot uitdrukking in de mondelinge presentatie in Camp David van een 'Amerikaans plan' - de eerste keer dat een Amerikaanse regering haar visie op een final status-overeenkomst gaf. Dit plan, de overbruggingsvoorstellen die Washington ontwikkeld maar niet gepubliceerd had, en Clintons ongehoorde en uitgesproken kritiek op Arafat als de oorzaak voor het mislukken van Camp David, heeft Arafat doen beseffen dat de regering-Clinton haar geloofwaardigheid als bemiddelaar had verspeeld, evenals haar vermogen om - onafhankelijk van Barak - beleid te formuleren. Palestijnse wanhoop omtrent Washingtons goede diensten was een crusiale factor, die het geweld dat op 28 september echt goed losbarstte, de vorm van de Aqsa-Intifada heeft doen aannemen. De Aqsa-Intifada - Arafats poging een volksopstand te gebruiken om de kaarten, die hem door Clinton en Barak in Camp David zijn toegespeeld, in zijn voordeel te herschikken, om zo een meer expliciete en omvangrijkere Israelische terugtrekking los te krijgen uit de Bezette Gebieden, waarvan de Palestijnen vinden dat die aan hen toebehoren.

 

uit: Soemoed, jaargang 29, nummer 1, februari 2001, pp.7-8 (oorspronkelijk verschenen in: Crossroads of Conflict - Israeli-Palestinian Relations Face an Uncertain Future; A Special Report of the Foundation for Middle East Peace; winter 2000; pp. 1 & 7).

vertaling: Koen Bos