Het A,B,C van Oslo-II


Na de Beginselverklaring van 13 september 1993 (Oslo-I) en het Gaza/Jericho-Akkoord van 4 mei 1994, werd op 28 september 1995, tussen de Arbeidspartij-regering van wijlen Yitzhak Rabin en Shimon Peres, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) van Yasser Arafat een Interim Overeenkomst getekend, die sindsdien in de media aangeduid is met Oslo-II.

In deze overeenkomst worden de grote lijnen aangegeven, waarlangs de verdere onderhandelingen tussen Israel en de Palestijnen dienen plaats te vinden. Ook is een tijdspad uitgestippeld: met de Onderhandelingen omtrent de Definitieve Status [van de Bezette Gebieden] diende het onderhandelingsproces uiterlijk 3 mei 1999 afgerond te zijn (inmiddels is deze deadline ruim een jaar opgeschoven).

In het kader van Oslo-II heeft Israel inmiddels de zeven grootste bevolkingscentra op de Westelijke Jordaanoever ontruimd: eerst Jericho, en daarna Jenin, Tulkarem, Qalqilya, Nabloes, Ramallah en Bethlehem; Hebron is uiteindelijk medio 1997 voor viervijfde ontruimd. Deze ontruimingen vormden een voorwaarde voor het organiseren van algemene ver-kiezingen voor de functie van presi-dent van het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) en voor de samenstelling van de 88 zetels tellende Palestijnse Wetgevende Raad (PLC). Beide verkiezingen vonden op 20 januari 1996 plaats. Kandidaten van Yasser Arafats al-FATAH en pro-al-FATAH onafhankelijken veroverden rond 70 procent van de zetels in de PLC (de islamistische organisatie HAMAS boycotte de verkiezingen). Arafat zelf werd met 87,1 procent van de stemmen gekozen tot de eerste PNA-president.

Volgens de Oslo-II-dienstregeling dienden vervolgens de Onderhandelingen omtrent de Definitieve Status [van de Bezette Gebieden] van start te gaan. Door een reeks ontwikkelingen is daarmee pas in oktober 1999 een begin gemaakt. In deze onderhandelingen moeten alle belangrijke geschilpunten, die de beide onderhandelende partijen voor zich uit hebben geschoven, aan de orde komen: de kwestie Jeruzalem, de joodse nederzettingen in de Bezette Gebieden, de afbakening van de grenzen tussen Israel en de Autonome Palestijnse Gebieden, en voorts het vraagstuk van de Palestijnse vluchtelingen. Deze zaken zijn onverbrekelijk verbonden met de toekomstige status van de bezette Westelijke Jordaanoever.

Wat de toekomstige status van de Westelijke Jordaanoever betreft ligt een tekst op tafel omtrent een permanente opdeling. Daarbij gaat het om een opdeling in drie categorieën gebieden:
 
Gebied A:  de acht grote Palestijnse steden; 3 procent van het grondgebied, 20 procent van de Palestijnse bevolking; het burgerlijke bestuur en de handhaving van de veiligheid liggen in handen van het Palestijns Nationaal Gezag (PNA). Kortom: formeel een autonoom gebied.

Gebied B: het Palestijnse platteland met zo'n 450 Palestijnse dorpen; 27 procent van het grondgebied, 70 procent van de Palestijnse bevolking; het burgerlijk bestuur ligt in handen van de PNA, de handhaving van de veiligheid blijft in handen van Israel. Kortom: een 'bezet autonoom' gebied.

Gebied C: 70 procent van het grondgebied, thans bewoond door onder meer 180.000 joodse kolonisten, verspreid over tenminste 140 nederzettingen; Israelische kazernes; bypass roads (wegen die de nederzettingen met elkaar en met Israel verbinden); het bestuur en de handhaving van de veiligheid blijven in handen van Israel. Kortom: onverminderde Israelische bezetting.

In het kader van dezelfde overeenkomst is de Strook van Gaza opgedeeld in een Gebied A (60 procent), waar ruim driekwart miljoen Palestijnen opeengepakt leven, en een Gebied C (de resterende 40 procent), waar verspreid over 16 nederzettingen rond 6000 joodse kolonisten woonachtig zijn.
 

bronnen: Manière de Voir, nummer 29 ('Conflits Fin de Siècle'; februari 1996); Le Soir van 11 maart 1997; fax-bericht van Geoffrey Aronson van de Foundation for Middle East Peace (Washington) van 19 februari 1998; The Guardian van 3 maart 1998.

 


nieuw | soemoed | boeken | info | agenda | links | contact |